Het Hof Amsterdam heeft in haar uitspraak van 29 september 2020 geoordeeld dat de diensten die belanghebbende als BSR-therapeut heeft verricht zijn vrijgesteld voor de omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder g, onder 1˚, sub a, van de Wet OB. (zie rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHAMS:2020:3786).

Het Hof heeft geoordeeld dat enerzijds belanghebbende voldoet aan het Besluit van 29 maart 2016, nr. BLKB2016/433M (het Besluit). Hierin heeft de staatssecretaris aangegeven dat de gezondheidskundige verzorging van de mens door medische beroepsbeoefenaren die niet onder de Wet BIG vallen, zoals belanghebbende, toch onder de vrijstelling valt indien:

a. de dienst door de desbetreffende medische beroepsbeoefenaar de gezondheidskundige verzorging van de mens betreft (zie ook § 3.1 en § 3.2.); en

b. de desbetreffende medische beroepsbeoefenaar een gezondheidskundige dienst verricht die van een gelijkwaardig kwaliteitsniveau is als een gezondheidskundige dienst van een Wet BIG-beroepsbeoefenaar (zie § 4.1); en

c. de dienst wordt verricht aan de individuele patiënt (zie § 5).

Anderzijds heeft het Hof vervolgens het volgende ten overvloede overwogen:

“Ten overvloede overweegt het Hof dat ook in het geval waarin het beroep op het Besluit niet zou slagen, belanghebbende op grond van haar beroep op het unierechtelijke beginsel van fiscale neutraliteit zoals door het Hof van Justitie van de Europese Unie uiteengezet in het Solleveld-arrest (HvJ, 27 april 2006, ECLI:EU:C:2006:257) in het gelijk zou zijn gesteld. Gelet op het vorenstaande beschikt belanghebbende naar ’s Hofs oordeel over beroepskwalificaties die ruimschoots waarborgen dat de door haar gegeven BSR -therapie gelijkwaardig is aan die verricht door medische beroepsbeoefenaren die onder de Wet BIG vallen, zodat zij op grond van het fiscale neutraliteitsbeginsel in aanmerking komt voor de vrijstelling als bedoeld in art. 11, lid 1, onderdeel g, Wet OB. Het Hof voegt hieraan toe dat bij de toepassing van het neutraliteitsbeginsel de gelijkwaardigheid van de behandeling - vanuit het oogpunt van de consument - voorop staat en dat deze toets een andere is dan de toets van de gelijkwaardigheid van de behaalde diploma’s”.